Bjørn Lomborg: De onbetrouwbare cijfers achter de Stern Review

Het klimaatrapport van Nicholas Stern en de Britse regering heeft over de hele wereld gezorgd voor veel publiciteit en enge alarmerende krantenkoppen. Veel aandacht is gegaan naar Stern's belangrijkste argument dat de prijs van het niet in actie komen buitengewoon hoog zou zijn en de prijs van het wel in actie komen daarentegen bescheiden. Helaas blijft er van die claim weinig over als je dit 700-pagina’s tellende rapport werkelijk leest. Hoewel er diverse goede referenties worden aangehaald is het ‘Stern Review on the Economics of Climate Change’ selectief en kloppen de conclusies niet. Van deze sensationele paniekzaaierij wordt de wereld eerder slechter dan beter.

Het rapport gaat er terecht van uit dat de klimaatverandering een reëel probleem is dat veroorzaakt wordt door de menselijke uitstoot van broeikasgassen. Van het overige klopt echter weinig. Het rapport lijkt haastig in elkaar gezet en bevat vele slordige fouten. Zo wordt bijvoorbeeld de schade die orkanen in de VS zullen veroorzaken begroot op 0.13% van het Bruto Nationaal Product maar ook op 10 maal dat getal.

Het rapport is ook eenzijdig en concentreert zich nagenoeg uitsluitend op het beperken van de uitstoot van CO2 als DE oplossing voor het tegengaan van de klimaatverandering. Stern ziet toenemende schade door orkanen in de VS als een krachtig argument voor het beperken van de uitstoot van CO2. Die orkaanschade neemt echter vooral toe omdat juist steeds meer mensen zich met hun schadegevoelige zaken vestigen in gevaarlijke gebieden. Ook al neemt door de opwarming de kracht van orkanen significant toe, dan nog schat men dat 95-98% van de extra schade te wijten is aan deze demografische factor. Het Stern-rapport geeft toe dat simpele initiatieven zoals het verstevigen van daken en muren de schade met meer dan 80% kan beperken - en tegen lage kosten - maar Stern beveelt vervolgens een duur beleid aan voor voor CO2-reducties waarmee deze schade maar met maximaal 1% tot 2% wordt teruggebracht. Geen erg aantrekkelijk voorstel.

Stern is selectief, hij lijkt alleen die statistieken te kiezen die zijn verhaal ondersteunen. Dat blijkt het duidelijkst uit de analyse van de ‘sociale schade door CO2’— in feite de milieukosten van het uitstoten van een extra ton CO2. De bekendste klimaat-econoom in de wereld is vermoedelijk William Nordhaus van de Yale Universiteit, wiens "benadering waarschijnlijk het dichtst bij die van ons ligt” volgens Stern. Nordhaus stelt de sociale kosten van CO2 op $2.50 per ton. Stern, hanteert echter een bedrag van $85 per ton. De keuze van een bedrag dat zelfs hoger ligt dan de officiële schatting van de UK – die ook al bekritiseerd werd omdat deze als zwaar overdreven werd gezien – spreekt boekdelen.

Stern vertelt ons dat de kosten van overstromingen in het Verenigd Koninkrijk als gevolg van de klimaatverandering zullen verviervoudigen van 0.1% tot 0.4% van het BNP. Er wordt echter niet verteld dat deze alarmerende cijfers ervan uit gaan dat het VK geen enkele maatregel neemt en die overstromingen gewoon laat plaatsvinden, misschien zelfs keer op keer. In contrast daarmee gaat de overheid van het VK zelf uit van een bescheiden extra investering in bescherming tegen overstromingen en verwacht dat daardoor de schade door overstromingen scherp zal dalen tot 0.04% van het BNP, in weerwil van de klimaatverandering. Waarom vertelt Stern ons dit niet? Maar de onevenwichtigheid van Stern’s analyse wordt nergens zo duidelijk als in zijn centrale betoog over de kosten en baten van het bestrijden van de klimaatverandering.

Volgens het rapport moeten we de uitstoot van CO2 aanmerkelijk beperken teneinde de atmosferische concentratie te stabiliseren op 550 ppm (parts per million). Deze krachtige aanbeveling gaat echter niet vergezeld van een verklaring van wat dit voor de temperatuur zou betekenen. Volgens het International Panel on Climate Change (IPCC) van de VN betekent een stabilisering van CO2 op 550 ppm dat de temperatuur in het jaar 2100 ongeveer 2,3 graden C hoger zal zijn dan nu. Dat is wellicht verscheidene graden minder vergeleken met wat er anders zou kunnen gebeuren, maar het zou ook juist meer kunnen zijn. Nordhaus schat dat het stabiliseringsbeleid de temperatuursstijging van 2,53 graden Celsius zou beperken tot 2,42 graden Celsius. Dat Stern niet echt stond te trappelen om zo’n miniem effect rond te bazuinen is begrijpelijk. De meeste economen waren verrast door Stern's hoge schattingen van de economische schade van de opwarming.

Het model van Nordhaus gaat er bijvoorbeeld van uit dat het mondiale BNP 3% lager zal zijn als we niets doen, en daarin is het risico op rampen verdisconteerd. Het Stern rapport probeert aan te tonen dat de kosten “hoger zijn dan in menige eerdere studie werd gesuggereerd”. Op het eerste gezicht lijkt het alsof Stern de cijfers van Nordhaus accepteert: Hij verdisconteert het risico op rampen en de kosten van schade die niet via de markt tot uitdrukking komen, en bevestigt dat een stijging van de temperatuur met 4 graden ongeveer 3% van het BNP zal kosten. Maar hij gaat er van uit dat we tot ver in de 22ste eeuw CO2 in de atmosfeer zullen blijven pompen – een tamelijk onwaarschijnlijk scenario gegeven de dalende kosten van alternatieve brandstoffen en in het bijzonder indien sommige van de veronderstellingen in het rapport over toekomstige ontwikkelingen ook werkelijkheid zullen worden. Zo schat hij dat de 8 graden hogere temperatuur in 2180 de economie 11% - 14% van het BNP zal kosten.

Het Stern rapport analyseert ook wat de kosten zouden bedragen als iedereen, nu en in de toekomst, daaraan in gelijke mate zou meebetalen. Plotseling bedragen die kosten niet 0% nu en 3% in 2100 maar 11% van het BNP nu en in de eeuwigheid. Als dat een truc lijkt, dan wordt die indruk zeker bevestigd door het feit dat het Stern rapport een extreem lage rentevoet hanteert, waardoor de kosten er nog dreigender uit zien. Maar zelfs 11% is niet de grens. Stern suggereert dat er een kans is dat de kosten van de opwarming nog hoger zullen zijn dan de hoogste schattingen van het IPCC, een "worst-case scenario" dat nog slechter is dan alle anderen. Hij laat daarvoor de geschatte schade aan het BNP van 11% naar 15% springen. Stern waarschuwt dan dat in economische berekeningen de belangen van arme mensen niet zwaar genoeg wegen, dus verhoogt hij de 15% vervolgens naar 20%. Dit opgeblazen getal, 20%, haalde de voorpagina’s van de kranten. Dit getal staat echter in schril contrast met de 3% van het BNP (in 2100) die volgens de meeste economen als redelijke schatting wordt beschouwd.

Op vergelijkbare wijze past Stern de kosten aan van het bestrijden van de klimaatverandering. De VN meent dat de prijs voor het stabiliseren van de CO2- concentraties op 550 ppm nu ergens tussen 0.2% - 3.2% van het BNP liggen; volgens Stern liggen die kosten echter tussen de -4% en 15% van het BNP. De -4% is gebaseerd op de veronderstelling dat het beperken van de CO2-uitstoot ons juist rijker maakt omdat het gebruik van de opbrengsten van de heffing zou kunnen dienen om de inefficienties in het belastingsysteem te kunnen opheffen — maar die veronderstelde inefficiënties, als ze al bestaan, moeten hoe dan ook weggewerkt worden, ongeacht het klimaatbeleid. De reden dat Stern desondanks tot een hele lage kostenschatting komt is dat hij alleen modellen beschouwt met zogeheten ‘Geïnduceerde Technologische Verandering’. Van deze modellen is bekend dat ze 2% lagere kosten laten zien omdat het beperken van de CO2-uitstoot leidt tot een toename in onderzoek en ontwikkeling, die vervolgens een verdere beperking van de uitstoot goedkoper maken. Op deze wijze komt Stern tot de conclusie dat de kosten gemiddeld 1% van het BNP bedragen, en in de samenvatting claimt hij zelfs dat dit het maximum is. De hoeksteen van de Stern’s pleidooi voor onmiddellijk en krachtig ingrijpen is gebaseerd op de suggestie dat niets doen NU 20% van het BNP zou kosten, en wel in actie komen slechts 1% van dat BNP. Dit is echter gebaseerd op drie zeer problematische veronderstellingen. Ten eerste wordt aangenomen dat als we in actie komen dat we dan niet meer zullen hoeven te betalen voor de opwarmingsschade. Maar dat is niet zo — Stern vertelt ons zelf dat er aan zijn oplossing “belangrijke risico’s kleven”. Ten tweede moeten voor de realisering van Stern’s advies de kosten van het tegenhouden van de klimaatsverandering inderdaad zo goedkoop zijn als hij zegt – en hier lijken zijn berekeningen op zijn best over-optimistisch. Ten derde, en dit is het belangrijkst, is het noodzakelijk dat de kosten van het niets doen gebaseerd zijn op een reële inschatting. Maar de genoemde 20% van het BNP is opgeblazen door een onrealistisch pessimistische visie op de 22ste eeuw en door een onrealistische lage rentevoet. Volgens cijfers die in de achtergrondinformatie van het rapport staan kost klimaatsverandering ons nu niets en in 2100 3% van het BNP, een veel informatiever cijfer dan de 20% voor nu en altijd. Met andere woorden: als je uitgaat van redelijke gegevens laten de meeste kosten-baten-analyses zien dat dramatische en vroege reducties van CO2-uitstoot veel meer kosten dan ze opleveren. Stern's poging om die wetenschap onderuit te halen is gebaseerd op een aaneenschakeling van onwaarschijnlijke veronderstellingen. Verder is er nog een vierde groot probleem in Stern’s betoog en dat heeft nog weinig aandacht gekregen. Het lijkt naïef te geloven dat de 192 landen van de wereld zomaar Stern’s vele triljoenen kostende en een eeuw lang durende voorstellen zullen overnemen. Zal niemand trachten onder zijn verplichtingen uit te komen? Waarom zouden China of India meedoen? En zelfs als China in zou stappen, zou het land überhaupt in staat zijn om dit beleid uit te voeren? In 2002, besloot China om de uitstoot van zwavel dioxide (SO2)met 10% te gaan beperken. Op het ogenblik is deze echter 27% hoger – en dat terwijl SO2-uitstoot in China echt een groter probleem voor de gezondheid en het milieu betekenen dan klimaatverandering. Waarom is dit belangrijk? Dit is belangrijk omdat het Stern rapport zich dankzij slimme marketing en sensationele krantenkoppen in ons collectieve bewustzijn heeft genesteld. De suggestie dat we ten prooi zullen vallen aan overstromingen is al overgenomen door commentatoren, ondanks het feit dat de rapporten op de achtergrond juist afnemende kosten door overstromingen laten zien en minder risico voor mensen. De media citeren nu Stern's suggestie dat klimaatsverandering voor een financiele verwoesting zal zorgen die 20% van het BNP zal kosten, expliciet verwijzend naar eerdere financiële catastrofes als de Grote Depressie of de Tweede Wereld Oorlog. Toch staat er in het rapport dat de kosten nu 0% van het BNP bedragen en slechts 3% van het BNP in 2100. Het is belangrijk omdat Gordon Brown, Tony Blair en Nicholas Stern alle drie pretenderen dat één van de belangrijkste redenen om de klimaatsverandering aan te pakken is omdat anders de armen van de wereld het hardst zullen worden getroffen. Door het gebruik van een ‘worse-than-worst-case scenario’, waarschuwt Stern dat de welvaart in Zuid-Azië en Afrika onder de Sahara in 2100 10% tot 13% lager zal zijn en dat dat neer zal komen op 145 miljoen extra armen. Geconfronteerd met dergelijke alarmistische suggesties lijkt het uitgeven van slechts 1% van het BNP of 450 miljard dollar ieder jaar om de koolstofuitstoot te beperken oppervlakkig gezien een goede investering. In feite is het één van de minst aantrekkelijke opties. Door het uitgeven van slechts een fractie hiervan —$75 miljard— schat de VN dat we alle grote problemen van de wereld kunnen oplossen. We zouden iedereen schoon drinkwater kunnen geven, sanitaire voorzieningen, basis gezondheidszorg, en onderwijs – nu meteen. Is dat niet beter? We weten van economische modellen dat alleen het bestrijden van malaria een economische push zal geven ter grootte van ongeveer 1% van het BNP (per capita per jaar). Zelfs de conservatieve schatting dat het oplossen van al deze problemen slechts 2% extra groei op levert, impliceert dat over 100 jaar ieder individu in de derde wereld 700% rijker is dan nu. Daarmee vergeleken worden de schattingen van een welvaartsdaling van 10-13% voor Zuid Azië en Afrika onder de Sahara triviaal. In het afgelopen weekend vroeg ik in New York aan 24 VN-ambassadeurs — van landen als China, India en de VS –aan te geven wat volgens hen de beste oplossingen zouden zijn voor de grootste problemen van de wereld – in een project dat bekend staat als de Copenhagen Consensus. Ze keken naar de mogelijke effecten van het uitgeven van geld aan het bestrijden van klimaatverandering en andere problemen. Ze vonden dat de wereld de zorg voor betere gezondheid, voeding, sanitaire voorzieningen en onderwijs prioriteit moest geven lang voordat de kostbare bestrijding van de klimaatverandering aan de orde zou moeten komen. We willen allemaal een betere wereld. Maar we moeten ons niet op laten zwepen om een slechte investering te doen enkel en alleen omdat we ons bang hebben laten maken door krantenkoppen.

Bjørn Lomborg verkreeg wereldfaam met zijn kritische boek "The Skeptical Environmentalist" (Cambridge, 2001). Hij geeft les aan de Copenhagen Business School en hij is directeur van het Copenhagen Consensus Center. Dit artikel verscheen op 2 november 2006 in de Wall Street Journal.

Dank aan Bjørn Lomborg voor de toestemming tot overname en dank aan Hans Labohm voor vertaaladviezen.

Nieuwe reactie inzenden

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Meer informatie over formaatmogelijkheden